InfotopmenuProjecten
Akkerranden West-Brabant

Inleiding

De hoofddoelstelling van het project SOLABIO (Soorten en Landschappen als dragers voor Biodiversiteit) is de toename van de biodiversiteit en het herstel van waardevolle landschappen in de grensregio Vlaanderen-Nederland te stimuleren. Binnen SOLABIO wordt onder andere de pilot ‘Stimulering akkervogels op bouwland’ uitgevoerd. Een van de onderdelen van deze pilot is de monitoring van de effecten op de akkervogels en andere natuurwaarden.

In maart 2009 is aan het Ecologisch Adviesbureau Cools de opdracht verleend om deze monitoring uit te voeren gedurende drie jaar in 18 gebieden gelegen tussen Aalburg en Steenbergen. Het project wordt begeleidt door een team bestaande uit vertegenwoordigers van de Provincie Noord-Brabant, Brabants Landschap en ZLTO.

Ligging van het onderzoeksgebied

De keuze van de ligging van de onderzochte gebieden is gemaakt op basis van zoekgebieden binnen de pilot voor het Brabantse zeekleigebied van het Leefgebiedsplan agrarisch landschap.

De 18 gebieden van de 18 deelnemende agrariërs zijn gelegen binnen 3 regio’s, respectievelijk Altena Biesbosch (gebied 1 t/m 9), Drimmelen (gebied 10 t/m 14) en Steenbergen (gebied 15 t/m 18). De 18 gebieden zijn weer onderverdeeld in totaal 72 deelgebieden.



Ligging van de deelgebieden
 

Randtypen en zaadmengsels

De 72 deelgebieden bestaan uit 5 randtypen. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van het aantal deelgebieden met deze randtypen en de oppervlakte.

 
Code
Naam randenpakket en -type
Aantal
Hectare
R5
Vierseizoensrand
5
8
R6
Vierseizoensrand met braak
22
23
R7 akker
Opgedeelde graan- en duorand (graan-kruidenmengsel)
9
6
R7 grasland
Opgedeelde graan- en duorand (gras-kruidenmengsel)
10
5
Geen beheer
Akkerrand met geen (natuur)beheer
26
21
 

Voor alle randtypen geldt dat het graan-kruidenmengsel jaarlijks wordt ingezaaid en bestaat uit ondermeer korenbloem, triticale, gele mosterd, boekweit, bladrammanas en grote klaproos. Het gras-kruidenmengsel wordt alleen het eerste jaar (= april 2009) ingezaaid en bestaat uit ondermeer margriet, gewoon knoopkruid, gewone rolklaver, kanmgras, witte klaver en luzerne. 



De korenbloem, een van de uitgezaaide soorten
 

Veldonderzoek

Vogels
In de periode begin mei tot en met half juli 2009 zijn alle 72 deelgebieden driemaal onderzocht op de aanwezigheid van broedterritoria van met name ‘akkervogels’, zoals de patrijs, gele kwikstaart, graspieper, veldleeuwerik, scholekster en kievit. Daarnaast zijn ook broedterritoria vastgelegd van alle andere aanwezige vogels en van foeragerende vogels binnen de deelgebieden en van territoria in de aangrenzende landbouwpercelen. In oktober-december 2009 zijn 46 deelgebieden tweemaal onderzocht op de aanwezigheid van vogelsoorten die foerageren binnen de deelgebieden.

Bodemdieren, insecten en andere diersoorten
In augustus 2009 is binnen 18 opnamevlakken met behulp van vangbekers onderzoek verricht naar bodemdieren (met name loopkevers). Binnen deze opnamevlakken is tevens onderzoek uitgevoerd naar insecten en andere diersoorten, zoals zoogdieren en amfibieën.

Vegetatie
In augustus en november 2009 is in dezelfde opnamevlakken waar ook onderzoek is verricht naar bodemdieren en insecten, de bedekking van de vegetatie bepaald. Per plantensoort is de bedekkingswaarde geschat en bepaald welk percentage van de soort bloeiend/in knop, vegetatief en/of zaaddragend voorkwam.

 


Onderzoeksresultaten

Broedvogels
43 deelgebieden bevonden zich in broedterritoria van de gele kwikstaart, fazant, veldleeuwerik, graspieper, patrijs en/of kwartel. De meest voorkomende broedvogelsoort was de gele kwikstaart met 65 territoria binnen 38 deelgebieden, gevolgd  door de veldleeuwerik met 23 territoria binnen 12 deelgebieden.
Het randtype R7 akker scoort het hoogst voor wat betreft de territoria van de gele kwikstaart, graspieper en patrijs. Samen met het randtype R6 heeft het randtype R7 akker ook de hoogste dichtheid aan territoria van de veldleeuwerik. Ook het aantal soorten met broedterritoria is samen met het randtype R6 hoger dan de andere randtypen. Opvallend is het relatief hoog aantal territoria van de gele kwikstaart in het randtype geen beheer, die (ongeveer) gelijk is aan de territoria in/nabij de randtypen R5 en R6. Daarnaast lijken de randtypen R6 en R7 grasland ten opzichte van het randtype geen beheer geen meerwaarde te hebben voor territoria van de fazant en/of veldleeuwerik.

 

Foeragerende vogels
In 71 gebiedsdelen zijn in de periode mei-juli in totaal 45 vogelsoorten waargenomen. De meeste ( = 20) soorten zijn aangetroffen binnen het deelgebied 2a (R6/Babyloniënbroek). De boerenzwaluw is in de meeste deelgebieden waargenomen, namelijk 42, gevolgd door de gele kwikstaart in 39 deelgebieden. De houtduif is de vogelsoort waarvan in totaal de meeste (= 271) exemplaren zijn geteld, gevolgd door de gierzwaluw met 259 exemplaren. In 41 gebiedsdelen zijn in de periode oktober-december in totaal 36 vogelsoorten waargenomen. Het aantal soorten varieerde per deelgebied nogal sterk. Zo kwamen er in deelgebied 6h (R6/Hank) 17 soorten voor en in 3 deelgebieden geen enkele vogelsoort. De meest frequent voorkomende soorten waren de groenling en graspieper, beide soorten werden in 20 deelgebieden aangetroffen. Het aantal exemplaren van de vogelsoorten varieerde zeer sterk. Koploper was de groenling met in totaal 593 exemplaren, gevolgd door de spreeuw met 390 exemplaren.

Bijzondere en/of zeldzamere soorten waren:

  • roofvogels: bruine en blauwe kiekendief, havik, boomvalk, smelleken, sperwer, buizerd, torenvalk

  •  soorten van akkers, graslanden en ruigten: naast de gele kwikstaart, graspieper, veldleeuwerik, patrijs en kwartel: putter, kneu, roodborsttapuit, tapuit, barmsijs, geelgors en paapje

  • soorten van natte biotopen: kleine karekiet, watersnip, waterpieper, rietgors, grote zilverreiger.

     

Zowel in de periode mei-juli als in oktober-december scoorde het randtype R7 akker het hoogst met gemiddeld 14 en 12 vogelsoorten per hectare. Het randtype wordt gevolgd door de randtypen R7 grasland en R6 die bijna gelijk scoren met in oktober-december gemiddeld 10 soorten, alleen het gemiddeld aantal soorten in mei-juli was in het randtype R7 grasland één soort hoger dan in het randtype R6.

Met betrekking tot het gemiddeld aantal foeragerende exemplaren van vogelsoorten van akkers, graslanden en ruigten scoorde in de periode mei-juli het randtype R7 akker het hoogst met in totaal gemiddeld 10 exemplaren per hectare. In de periode oktober-december scoort het randtype R6 het hoogst met in totaal gemiddeld 24 exemplaren. Opvallend was hierbij het hoge aantal (= 12) putters, een soort die in de periode mei-juli nauwelijks voorkwam in het randtype R6 maar meer in het randtype R7 grasland. Een ander opvallend gegeven is het hoge aantal (= 10) veldleeuweriken in het randtype R5, terwijl de meeste (= 9) graspiepers zich ophielden in het randtype R7 grasland.

Bodemdieren
In de 180 vangbekers die in 2009 zijn geplaatst voor het vangen van bodemdieren zijn in totaal 4565 loopkevers aangetroffen. Het aantal loopkevers per opname varieerde nogal sterk. Zo werden slechts 10 loopkevers genoteerd in de opname in deelgebied 14c (R7 grasland/Zevenbergschen Hoek) en maar liefst 1210 loopkevers in de opname in deelgebied 18d (R5/Steenbergen). Zowel deze zeer lage score als de zeer hoge score is in vergelijking met de andere opnamen een grote uitzondering. Meestal bevond het aantal loopkevers zich tussen de 200 en 350 exemplaren.

Gemiddeld is per 10 vangbekers het hoogst aantal exemplaren van loopkevers aangetroffen in het randtype R5. Het aantal exemplaren in de andere randtypen is beduidend lager dan in R5. Als men het gemiddeld aantal exemplaren van de loopkevers rangschikt naar beheertype dan zijn in de deelgebieden met akkerbeheer meer exemplaren waargenomen dan in de deelgebieden met graslandbeheer. Van de overige keversoorten werden in totaal 88 exemplaren van de gewone doodgraver aangetroffen met bijna altijd een dode muis of amfibie in de beker. Naast deze insecten en spinachtigen zijn de bekers ook nog diverse tot enkele exemplaren gevangen van regenwormen, pissebedden, slakken en rupsen, alsook 14 muizen (huisspitsmuis en waarschijnlijk veldmuis), 11 jonge exemplaren en 1 volwassen exemplaar van de gewone pad. Verrassend was de vangst van twee jonge exemplaren van de tamelijk zeldzame rugstreeppad in de opname in deelgebied 16f (R7 akker/Lepelstraat).

Insecten
Binnen de 18 opnamevlakken zijn diverse soorten en honderden exemplaren van hommels en zweefvliegen waargenomen en beduidend minder bijen en wespen. Van de dagvlinders zijn in totaal 12 soorten waargenomen. De meest voorkomende soort was het klein koolwitje. De vrij zeldzame oranje luzernevlinder is aangetroffen in 6 deelgebieden. Buiten de opname in deelgebied 18d is de oranje luzernevlinder in totaal met circa 40 exemplaren waargenomen, alsook één exemplaar van de gele luzernevlinder. Verder werden enkele sprinkhaan- en libellensoorten, alsook vliegen, muggen, gaasvliegen, bladluizen, oorwormen, wantsen, lieveheersbeestjes, spinnen waargenomen.

In het randtype R5 is gemiddeld het hoogst aantal exemplaren van insecten per 10 m2 waargenomen. De andere randtypen met beheer scoorde ongeveer gelijk, respectievelijk in totaal gemiddeld 32 tot 34 exemplaren per 10 m2. Als men de opnamen met insecten rangschikt per beheertype dan zijn in de opnamen met akkerbeheer gemiddeld de meeste exemplaren waargenomen van bijna alle insectengroepen. Alleen het aantal exemplaren van de sprinkhanen was in de opnamen met graslandbeheer iets hoger dan in de deelgebieden met akkerbeheer. Vooral het gemiddeld aantal exemplaren van de hommels was in de deelgebieden met akkerbeheer beduidend hoger dan in de deelgebieden met graslandbeheer.

Overige diersoorten
Ook buiten de vangbekers zijn in enkele opnamen jonge exemplaren van de gewone pad waargenomen. Het aantal exemplaren was steeds zeer laag. In nagenoeg iedere opname werden holletjes van muizen (waarschijnlijk huisspitsmuis, bosmuis of veldmuis) aangetroffen. Daarnaast werden sporen aangetroffen van de ree en vos en werden enkele konijnen en hazen gezien.



Deelgebied nabij Veen met vele exemplaren van de klaproos en korenbloem

Vegetatie
In augustus 2009 hadden de ingezaaide soorten korenbloem, triticale, gele mosterd en bladrammanas in opnamen met akkerbeheer de hoogste bedekking en in de opnamen met graslandbeheer de witte klaver, luzerne, gewone rolklaver en kropaar. Ingezaaide soorten zoals rood zwenkgras, kamgras, veldbeemdgras, blauw maanzaad waren niet of nauwelijks aanwezig.

Van de 22 spontaan ontwikkelde soorten kwamen de meeste soorten met een (zeer) lage bedekking voor. In deelgebied 14c (R7 gras/Zevenbergschen Hoek) kwamen wel zeer veel exemplaren van de algemene hanenpoot voor en in deelgebied 7b (R7 grasland/Sleeuwijk) van de eveneens algemene beklierde duizendknoop. De meeste (spontaan ontwikkelde) soorten zijn waargenomen in deelgebieden met graslandbeheer. Het merendeel van de spontaan ontwikkelde soorten zijn pioniersoorten van vochtige, zeer voedselrijke bodem. ‘Echte’ graslandplanten waren nauwelijks aanwezig.

Van de ingezaaide soorten was de bedekking van de witte klaver in november zeer hoog ten opzichte van de andere soorten. In augustus was de gemiddelde bedekking van de witte klaver nog ruim de helft van het percentage in november. In de opnamen met akkerbeheer is de gemiddelde bedekking van de bladrammanas in november duidelijk toegenomen ten opzichte van augustus.

In de opnamen met akkerbeheer was de bedekking van het aantal exemplaren met zaad aanmerkelijk hoger dan in de opnamen met graslandbeheer. Het grote verschil werd gemaakt door de ingezaaide soorten en niet door de soorten die zich spontaan hadden ontwikkeld.


 

Aanbevelingen

  • In een aantal deelgebieden is geconstateerd dat het deelgebied geheel dan wel deels wordt gebruikt voor het schonen van de aangrenzende sloot dan wel voor het benaderen van landbouwpercelen ten behoeve van de oogst. Gevolg is dat de vegetatie in de desbetreffende deelgebieden grotendeels wordt platgereden, hetgeen zeer ongunstig voor ondermeer de ontwikkeling van een ‘stabiele’ vegetatieontwikkeling in deelgebieden met graslandbeheer, voor de vorming van voldoende zaadmateriaal hetgeen weer nadelig is voor vogels, voor insecten aangezien de activiteiten ook al plaatsvonden eind augustus-september. In overleg met de eigenaren en/of het waterschap dient te worden nagegaan wat de mogelijkheden zijn om de deelgebieden niet te gebruiken als schouwpad en/of toegangspad tot de landbouwpercelen.

  •  in enkele deelgebieden is ook geconstateerd dat slootveegsel en –bagger uit de aangrenzende sloot werd gedeponeerd in het deelgebied en daar soms maanden is blijven liggen. Het gevolg is dat de oorspronkelijke vegetatie in het deelgebied afsterft en dat er op termijn verruiging optreedt. Volgens de voorwaarden mag slootveegsel en –bagger ook niet worden gedeponeerd in een deelgebied. Ook hier is nader overleg gewenst met de eigenaren en het waterschap.

  • het zaadmateriaal dat is ingezaaid is zeer waarschijnlijk veelal afkomstig van doorgekweekt en/of buitenlands materiaal. In bijzonder geldt dit voor de grote klaproos. Daarnaast viel op dat diverse soorten nog in november-december volop in bloei stonden, zoals de korenbloem, terwijl deze soort in het ‘wild’ tot maximaal augustus bloeit. Om zowel mogelijk vervalsing en verstoring van de inheemse flora te voorkomen wordt aanbevolen om uitsluitend zaadmateriaal van inheemse en wilde plantensoorten in te zaaien binnen de deelgebieden.  

Infobottom menuProjecten