InfotopmenuProjecten
Schraallanden Noord-Brabant
Samenvatting
 

Aan TNO, het Ecologisch Adviesbureau Cools en Alterra is door de Provincie Noord-Brabant in 2003 de opdracht verstrekt om een uitvoeringsplan te vervaardigen. In dit plan dient te worden aangegeven waar en hoe behoud, herstel en/of ontwikkeling van schraallanden het best kan plaatsvinden. De tientallen bestaande en toekomstige schraallandgebieden dienen op basis van (a)biotische kansrijkdom te worden gerangschikt, zodat duidelijk is waar  op een efficiënte wijze middelen ingezet kunnen worden.

In het plan wordt voor 20 schraallandgebieden concreet aangegeven welke maatregelen binnen en buiten de gebieden noodzakelijk zijn om de specifieke waarden te kunnen behouden, optimaliseren, herstellen en/of te ontwikkelen.

 


Blauwe knoop in schraalland in het Beersebroek

 
Ontwikkeling
Het oppervlak aan schraallanden in Noord-Brabant is de afgelopen honderd jaar enorm achteruitgegaan. Van de duizenden hectaren schraalland die omstreeks 1900 nog aanwezig waren resteren momenteel nog 162 hectaren verdeeld over 40 gebieden. Het oppervlak Dotterbloemhooiland en Blauwgrasland is de afgelopen decennia nog verder verminderd.
De belangrijkste oorzaken hiervoor zijn stijghoogteverlaging door grondwateronttrekkingen en beregening, diepe ontwatering en verbeterd ontwateringssysteem, slechte grondwaterwaterkwaliteit, slechte inundatiewaterkwaliteit en een beheer dat niet is afgestemd op schraalgrasland. In een aantal schraallandgebieden is de afgelopen jaren echter ook een vergroting van het oppervlak schraalgrasland waargenomen. Dit is een zeer positieve ontwikkeling waarvan we veel kunnen leren en wat hoop geeft voor het herstel van een veel groter areaal schraalgrasland. Voorbeelden hiervan zijn te vinden in het Labbegat, Het Laag, Gastels Laag en beekdal van de Keersop nabij Dommelen. 

In de provincie Noord-Brabant bevonden zich, zover bekend, meer dan 250 ha vloeivelden (waterbeemden). Vermoedelijk waren dit er nog meer. Herstel van dergelijke systemen en van de daarmee in relatie staande bloemrijke graslanden zijn vaak relatief eenvoudig. Deze gebieden verdienen dus extra aandacht.  

 
Schraallandtype
1970-2000
Sinds 2000
Aantal deelgebieden
Aantal ha
Aantal deelgebieden
Aantal ha
Blauwgrasland
44
26
15
17
Dotterbloem hooiland
64
157
40
112
Kleine zeggenmoeras
48
25
20
25
Vochtig heischraal grasland
12
5
8
8
 

De Provincie Noord-Brabant heeft in haar Natuurgebiedsplannen en op de Natuurdoeltypenkaart aangegeven dat er in toekomst ruimte zal zijn voor 4340 hectaren schraalland en nog eens 3530 hectaren schraalland in combinatie met bloemrijk grasland.

Terreinbeheer

De belangrijkste terreinbeherende organisaties zijn Staatsbosbeheer, Natuurmonumenten en het Brabants Landschap. Ook de Gemeente Eindhoven beheert enkele percelen waardevol schraalgrasland in de Urkhovensche Zeggen.

Het beheer van schraalgrasland kan algemeen worden samengevat als:

  • 1 à 2 keer per jaar maaien afhankelijk van het type schraalland, waarbij het maaisel wordt afgevoerd;
  • Dotterbloemhooiland en Blauwgrasland mogen in de winterperiode inunderen met schoon oppervlaktewater;
  •  Voor percelen die nu nog in gebruik zijn als landbouwgebied heeft het de voorkeur om de bemeste toplaag te verwijderen;
  •  Sterk verruigde of anderszins verstoorde schraallandpercelen afplaggen en/of enkele jaren 2 keer per jaar maaien.

Om de beste beheersmaatregelen te formuleren kan nog steeds veel worden geleerd van de locaties waar de natuurwaarden nu goed zijn. Als voorbeeld kan de Moerputten worden genoemd. Hier vindt in de winter inundatie van een mengsel van (vervuild) oppervlaktewater en regenwater plaats, maar kan in de zomer een goed maaibeheer (inclusief afvoeren) plaatsvinden op de dan stevige zandbodem. Een ander voorbeeld is de Urkhovensche Zeggen. Hier is de natuurwaarde aanzienlijk toegenomen nadat het peil aan de onderzijde van de beekdalhelling, in het moeras, was hersteld. 




De zeldzame knolsteenbreek is een kensoort van dotterbloemhooilanden en bloemrijke hooilanden

Een duidelijke visie van de provincie op de bestemming van een natuurgebied is voor de beherende instanties noodzakelijk om te investeren in een natuurdoeltype als schraalgrasland. Ontwikkeling van dit natuurdoeltype op locaties waar deze nu niet of in beperkte mate aanwezig is, kost veel tijd en inspanning. Zekerheid dat ook in de toekomst schraalgrasland de belangrijkste functie is en niet waterberging of de functies gesteld in de Habitat- of Vogelrichtlijn is noodzakelijk om de ontwikkeling van schraalgrasland in te zetten.

Waterbeheer

Als richting voor optimaal waterbeheer in schraalgraslanden kan worden geleerd van: de historische beschrijvingen en gebieden waar de kwaliteit van schraalgraslanden nu hoog is. Hieruit volgt dat de grondwaterstanden in het algemeen in het natte seizoen langdurig aan of boven maaiveld moeten liggen. De grondwaterstanden of kwelflux in schraalgraslanden kan worden verstoord door locale oppervlakkige factoren of boven-lokale tot regionale factoren zoals grondwaterwinning. Door lokale maatregelen kan hydrologisch vaak al een sterke verbetering van de standplaatsomstandigheden worden gerealiseerd. Het is ook van belang de diversiteit in standplaatsomstandigheden te verhogen. Kwelafhankelijke gebieden werden in het verleden meestal ook langdurig overstroomd. Het microreliëf was vaak ook sterker dan nu (na egalisaties) het geval is. In verleden bestonden daarom veel meer overgangen van natte regenwaterafhankelijke situaties naar kwel en kwel/inundatie afhankelijke omstandigheden. Om in het heden deze omstandigheden te herstellen dient de kwel 'bewaakt' of verhoogd te worden, de sloot- en beekpeilen verhoogd te worden, microreliëf herstellen (ophoogzand wegnemen), inundatie op veel plaatsen herstellen en daarom ook de waterkwaliteit verbeteren.

Schraalgraslandtypen die typerend zijn voor beekdalsystemen met lokale kwel zijn het kwetsbaarst. Deze systemen zijn afhankelijk van locale kwel en een hoge wintergrondwaterstand. Omdat het locaal water betreft, dat vaak recent is geïnfiltreerd is het vaak ook sterk antropogeen beïnvloed (vervuild). Lager in de beekdalhelling is het (grond-) waterpeil verlaagd of treden inundaties niet meer op.

In het lokaal waterbeer speelt continue de tweestrijd tussen vervuild oppervlaktewater aanvoeren om de verdroging tegen te gaan, of lage grondwaterstanden toestaan waardoor ook een toevoer van voedingsstoffen plaatsvindt door mineralisatie. In de Moerputten heeft het inunderen in de winter met vervuild oppervlakte water een zeer positief effect op de vegetatie, terwijl het in de Smalbroeken juist een desastreus effect heeft gehad. Oplossingen zijn dus zeker niet eenduidig en hoewel hierna de laatste tijd veel onderzoek is verricht zijn de effecten van inundaties op de kwetsbare vegetaties nog onbekend. Herstellen van historische inundatiegebieden en een continue hoge grondwaterstand lijkt een zeer veelbelovende maatregel om schraalgraslanden te ontwikkelen, mits de kwaliteit van het inundatie water hoog is.

Overzicht standplaatsfactoren en herstelmaatregelen

Elk schraallandtype heeft zijn eigen optimale groeilocatie in het landschap. Erg belangrijk zijn de gradiënten: de regionale gradiënt van brongebied, bovenloop, middenloop en benenden loop van de beek, de zijwaartse gradiënt naar de beek (zie onderstaand figuur) en lokale kleine hoogteverschillen die het verschil maken tussen inundatie en geen inundatie. Herstelmaatregelen zullen dus ook voornamelijk deze gradiënten moeten herstellen.

Het landschap kan ingedeeld worden naar hydrologische systeemtypelocaties voor schraalgrasland. Hiertoe is door Jalink et al.(2003) al een aanzet gegeven. In tabel 8.2 hebben we deze systematiek vereenvoudigd en geven we een overzicht van de schraalgraslandsysteemtypen, de bijbehorende standplaatsfactoren en de mogelijke herstelmaatregelen.




Potentieel geschikt bloemrijk grasland voor de ontwikkeling van schraalland in Den Opslag nabij Haghorst
 

Quick scan

Met een quick scan van de ecologische en abiotische waarden van alle schraallandgebieden is een overzicht gemaakt van de meest kansrijke gebieden voor de ontwikkeling van schraalgrasland. Deze quick scan kan de provincie helpen hun doelstellingen voor schraalgrasland te halen door het efficiënt inzetten van de beschikbare middelen. Bij het interpreteren van deze quick scan moet rekeningen worden gehouden met de volgende uitgangspunten:

  • De quick scan is met GIS uitgevoerd. De onzekerheden in de basisgegevens werken door in de resultaten van de quick scan;
  • De quick scan is bepaald voor het gehele schraallandgebied. Een lage score wil dus niet zeggen dat er in kleine subgebieden geen kansrijke locaties zijn voor schraalland;
  • Vloeivelden krijgen water via het oppervlaktewater. Hierdoor hoeft er geen kwel aanwezig te zijn om toch een hoge kansrijkdom voor schraalland te hebben. Vloeivelden komen, met uitzondering van de Pelterheggen, niet als potentiële schraalgraslanden uit de quick scan;
  • Interpretatie van de quick scan dient te worden gecombineerd met veldkennis van de ecologie, hydrologie en het landschap om tot een juiste waardering en kansrijkdom te komen.

 Samenvatting resultaten van de quick scan 

 
Kansrijkdom
Aantal gebieden
Zeer kansrijk (gemiddelde score < 2 )
12:
Bossche Broek-Noord
De Mortelen, e.o.
Dommel (Nijnsel-Sint-Oedenrode)
Gastelsch Laag
Het Laag
Kleine Dommel (Geldrop-Eindhoven)
Kleine Dommel (Heeze-Geldrop)
Logtsche Velden-Smalbroeken
Merkske-Castelreesche Heide
Moorselaar-Het Laar
Oude Gooren-Wilde Velden
Sang en Goorkens
Kansrijk (gemiddelde score < 3)
30
Matig kansrijk (gemiddelde score < 5)
74
Niet kansrijk (gemiddelde score = 5)
10
 

Deze quick scan, gecombineerd met veldkennis van experts op het gebied van ecologie, ecohydrologie en landschapsecologie heeft geleid tot de selectie van 20 kansrijke gebieden voor de ontwikkeling van waardevol schraalgrasland. 

De 20 geselecteerde gebieden

Het aantal schraallandgebieden dat in aanmerking komt voor herstel en/of ontwikkeling is veel groter dan de geselecteerde 20 gebieden. De hier geselecteerde 20 gebieden kunnen een aanzet vormen om de natuurgebiedsplannen van de provincie te gaan realiseren.

Van elk gebied is een overzicht gegeven van de belangrijkste systeemkenmerken, de ecologische toestand en de ontwikkeling hiervan in de afgelopen 30 jaar. Toch is nog lang niet alles bekend en zal voor veel gebieden nog vervolg onderzoek moeten plaatsvinden om echt te kunnen begrijpen welke maatregelen een positief effect zullen hebben op het schraalgrasland.




De vlozegge, een zeer zeldzame kensoort van het blauwgrasland
 
Infobottom menuProjecten