InfotopmenuProjecten
Ecologische Verbindingszones

Samenvatting

Aanleiding en doel

De afgelopen jaren is het provinciale budget voor de realisering van vooral natte verbindingszones fors toegenomen. Dit heeft geleid tot een toename van het opstellen van inrichtingsvisies en het toekennen van subsidies voor de daadwerkelijke realisering van natte verbindingszones. Op provinciaal niveau heeft er nog geen evaluatie plaatsgevonden van de ontstane natuurwaarden, de inrichting en het gevoerde beheer binnen de reeds gerealiseerde verbindingszones.

Namens de provincie Noord-Brabant en de waterschappen Brabantse Delta, Rivierenland, De Dommel en Aa en Maas is door het Brabants Landschap in februari 2008 aan het Ecologisch Adviesbureau Cools de opdracht verleend om een dergelijke evaluatie uit te voeren, en wel in 11 ecologische verbindingszones (EVZ’s). De ligging van deze verbindingszones is op de onderstaande kaart weergegeven.

 
 
1 = Smalle Beek 2 = Mariakreek 3 = Donge 4 = Alm 5 = Heerenbeekloop 6 = Beerzeloop   7 = Kleine Beerze 
8 = Peelsche Loop 9 = Leijgraaf 10 = Hertogswetering 11 = Laarakkerse Waterleiding
 

Het doel van de evaluatie is om meer inzicht te verkrijgen in de actuele natuurwaarden van de 11 verbindingszones in relatie tot ondermeer de gekozen doelsoorten, de inrichting, het beheer en onderhoud. Alsook om een antwoord te kunnen krijgen op de vragen: “Wat zijn de potenties voor een toekomstige vestiging van bepaalde planten- en diersoorten, en welke maatregelen zijn noodzakelijk om de bestaande en toekomstige natuurwaarden te kunnen behouden en/of te kunnen ontwikkelen?”.

Het onderzoek

In iedere verbindingszone zijn de volgende soortgroepen onderzocht: vissen, amfibieën, reptielen, dagvlinders, libellen, sprinkhanen, vogels, vleermuizen, grondgebonden zoogdieren en plantensoorten. Bij het evalueren van de natuurwaarden is gebruik gemaakt van veldgegevens die de afgelopen jaren zijn verzameld door Ecologica en Waardenburg binnen de EVZ’s Hertogswetering, Peelsche Loop en Leijgraaf. In deze verbindingszones is de afgelopen jaren veelal per traject onderzoek verricht naar vegetatie, amfibieën, dagvlinders en libellen. In deze verbindingszones is door het Ecologisch Adviesbureau Cools in 2008 geen onderzoek verricht naar de genoemde soortgroepen, maar wel naar bijzondere plantensoorten, grondgebonden zoogdieren, vogels, vissen, reptielen en sprinkhanen. In 2003 en 2007 is de EVZ Alm door Natuurbalans-Limes Divergens onderzocht op alle soortengroepen, behalve op vleermuizen. Alle verbindingszones zijn door de Vleermuisstichting Noord-Brabant in 2008 onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen.

Daarnaast zijn gegevens uit de periode 1998-2007 gebruikt van de provincie Noord-Brabant met betrekking tot planten en broedvogels.



Vistrap in de Heerenbeekloop
 

Waargenomen soorten in de 11 EVZ’s in de periode 1998-2008

In totaal is binnen de 11 verbindingszones de aanwezigheid van 24 vissoorten vastgesteld, hetgeen 80-90% van het totaal aantal vissoorten is dat binnen de Brabantse verbindingszones kan voorkomen. Tot de waargenomen vissoorten behoren ondermeer de minder algemene kleine en grote modderkruiper, het bermpje, de bittervoorn, winde, kroeskarper en het vetje.

In de verbindingszones zijn 8 amfibiesoorten waargenomen, hetgeen ruim 70% is van het totaal aantal soorten dat in de zones kan voorkomen. In (nagenoeg) iedere verbindingszone leeft de groene c.q. bastaardkikker, bruine kikker en gewone pad, terwijl de kleine watersalamander in 7 verbindingszones is aangetroffen. Andere, provinciaal meer zeldzamere amfibiesoorten zijn maximaal in slechts 2 verbindingszones aangetroffen. Zo is de Alpenwatersalamander alleen bekend van de EVZ’s Peelsche Loop en Leijgraaf, de meerkikker van de EVZ’s Leijgraaf en Hertogswetering, en de heikikker en poelkikker van de EVZ Hertogswetering.

Van de circa 33 dagvlindersoorten die binnen de Brabantse verbindingszones kunnen voorkomen zijn er 27 soorten binnen de onderzochte zones waargenomen. Opvallend is, dat iets minder algemene soorten zoals het hooibeestje en de gehakkelde aurelia in meer verbindingszones zijn waargenomen dan bijvoorbeeld het algemene groot dikkopje, de kleine vuurvlinder en de citroenvlinder. De meer zeldzame oranje en gele luzernevlinder, het geelsprietdikkopje en het bruin blauwtje zijn elk van slechts één verbindingszone bekend, terwijl de koninginnenpage in drie zones is aangetroffen.




Bandheidelibel in de evz langs de Kleine Beerze

Binnen de onderzochte verbindingszones zijn in totaal 39 libellensoorten aangetroffen, hetgeen ruim 70% is van de totale Brabantse libellenfauna. Zeer waarschijnlijk is dit percentage nog hoger aangezien een aantal zeldzame libellensoorten strikt gebonden is aan bijvoorbeeld vennen, een natuurtype dat in verbindingszones niet of nauwelijks voorkomt. In de verbindingszones is de aanwezigheid vastgesteld van 18 vrij tot zeer zeldzame soorten, waaronder 8 landelijk en provinciaal bedreigde soorten. Het gaat om de bruine winterjuffer, glassnijder, beekoeverlibel, beekrombout, tengere pantserjuffer, bruine korenbout, vroege glazenmaker en bandheidelibel. Van de laatstgenoemde soort komt een grote populatie voor in de EVZ Leijgraaf met ruim 140 exemplaren en in de EVZ Kleine Beerze een kleinere populatie met minimaal 40 exemplaren.

Sommige sprinkhaansoorten zijn dermate zeldzaam in Noord-Brabant, dat de kans bijzonder klein is, dat deze soorten in verbindingszones voorkomen. De 11 sprinkhaansoorten die binnen de zones zijn waargenomen vormen 50-60% van het aantal soorten dat binnen de verbindingszones kan worden aangetroffen. De bruine sprinkhaan en krasser zijn zonder meer de meest voorkomende soorten binnen de verbindingzones. Van de meer zeldzame soorten is de sikkelsprinkhaan aangetroffen in de EVZ’s Beerzeloop en Kleine Beerze, de struiksprinkhaan in de EVZ Kleine Beerze, de kustsprinkhaan in de EVZ Alm en van de moerassprinkhaan komt al enige jaren een populatie voor in het Gat van den Dam binnen de EVZ Hertogswetering.

Van in totaal 79 vogelsoorten zijn binnen de onderzochte zones broedterritoria vastgesteld, hetgeen zeer waarschijnlijk 70-80% is van het maximaal aantal vogelsoorten dat binnen de Brabantse verbindingszones kan broeden. Naast water- en moerasvogels broeden in de verbindingszones veelal broedvogels van struwelen, bomenrijen, houtsingels en bosjes. Bijzondere vogels die in de verbindingszones broeden zijn ondermeer de houtsnip, zomertaling, nachtegaal, wielewaal, ijsvogel, blauwborst, visdief en waterral. Binnen alle verbindingzones zijn naast de broedvogels 29 andere vogelsoorten foeragerend en/of rustend waargenomen. De meest bijzondere soorten zijn ondermeer de bruine kiekendief, beflijster, bosuil, havik, kwartel, tapuit, tureluur, watersnip, witgatje, oeverloper, grote karekiet en purperreiger.




Vindplaatsen van bijzondere plantensoorten in het zuidelijk deel van de evz langs de Beerzeloop

In iedere onderzochte verbindingszone zijn de gewone dwergvleermuis en laatvlieger foeragerend waargenomen. De iets minder algemene watervleermuis is ‘slechts’ van 6 verbindingszones bekend, met name omdat geschikt foerageergebied voor deze soort in diverse verbindingszones ontbreekt. De vrij zeldzame tot plaatselijk vrij algemene rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis zijn in 2008 in respectievelijk 7 en 8 verbindingszones waargenomen, terwijl de zeldzame meervleermuis alleen bekend is van de EVZ Donge. Vaste verblijfplaatsen of vliegroutes van vleermuizen zijn in de 11 verbindingszones niet vastgesteld.

Het aantal grondgebonden zoogdiersoorten dat momenteel al voorkomt binnen de verbindingszones is zeer waarschijnlijk beduidend hoger dan de 13 soorten, waarvan met zekerheid de aanwezigheid binnen de 11 verbindingszones is vastgesteld. Sommige verbindingszones worden door de ree (tamelijk) intensief gebruikt als verbindingsweg of als foerageergebied. Ook de vos is plaatselijk behoorlijk actief, terwijl het aantal waarnemingen van de egel telkens (zeer) laag is. Het is zeer aannemelijk, dat ook andere schuwe zoogdiersoorten zoals de wezel, hermelijn en bunzing momenteel al in diverse verbindingszones voorkomen.

Binnen de onderzochte verbindingszones zijn in totaal 459 plantensoorten waargenomen, hetgeen ruim 40% is van het totaal aantal plantensoorten dat in Noord-Brabant voorkomt. Van de waargenomen plantensoorten komen 239 soorten vrij algemeen tot zeer zeldzaam in Noord-Brabant voor. De meeste minder algemene soorten zijn aangetroffen in de EVZ Hertogswetering, gevolgd door de EVZ’s Kleine Beerze, Peelsche Loop, Heerenbeekloop en Beerzeloop. Opvallend zijn de diverse vindplaatsen van vrij zeldzame plantensoorten, zoals de moeraswolfsklauw, kleine zonnedauw, mannetjesereprijs, stekelbrem en het dwergviltkruid. Heel bijzondere en provinciaal zeer zeldzame plantensoorten die binnen de verbindingszones zijn waargenomen zijn onder andere de kleine bevernel, het Duits viltkruid, de muursla en gestreepte klaver in de EVZ Hertogswetering, het ondergedoken moerasscherm en teer guichelheil in de EVZ Beerzeloop, de rietorchis en het rijstgras in de EVZ Alm en de lidsteng in een poel in de EVZ Smalle Beek.

Indicatiewaarde soorten

De waargenomen soorten kunnen op basis van de eisen die ze stellen aan hun leefomgeving veelal worden geplaatst in groepen. Zo zijn rheofiele vissoorten voor wat betreft een of meerdere levensstadia gebonden aan stromend water. Binnen de verbindingszones zijn vier rheofiele vissoorten (alver, riviergrondel, winde en bermpje) aangetroffen. Opvallend is, dat de waarnemingen van het bermpje, met uitzondering van de Peelsche Loop, alleen in stromende wateren zijn gedaan, terwijl de andere rheofiele soorten ook in stilstaande tot zwak stromende wateren zijn waargenomen.

Van de amfibiesoorten die binnen de verbindingszones zijn waargenomen zijn de meeste soorten weinig kritisch voor wat betreft hun leefgebied. Voor de Alpenwatersalamander en kleine watersalamander geldt, dat de voortplantingswateren niet te rijk moeten zijn aan vis of andere diersoorten die de eieren en larven van deze salamandersoorten eten. De waterkwaliteit moet (tamelijk) goed zijn, met een bij voorkeur redelijk goed ontwikkelde watervegetatie van één of meerdere plantensoorten.




Het oostelijk deel van de verbindingszone langs de Donge

De aanwezigheid van een populatie van honkvaste en weinig mobiele dagvlindersoorten geeft een goede indicatie voor de kwaliteit van het leefgebied binnen of in de directe nabijheid van de verbindingszone. Binnen de onderzochte verbindingszones zijn enkele weinig mobiele dagvlindersoorten waargenomen, namelijk het bruin blauwtje, hooibeestje en koevinkje. De meeste waargenomen dagvlindersoorten behoren tot de mobiele soorten, die in staat zijn regelmatig 500 tot 5000 meter af te leggen. Bij deze soorten komt het geregeld voor, dat de nectarplanten op een andere plaats worden gezocht dan de waardplanten. Gezien de maximale afstand van 5000 meter is het zeer waarschijnlijk, dat de meeste mobiele soorten een volledig leefgebied hebben binnen de EVZ’s, vooral ook omdat in de omgeving van de verbindingszones geen andere geschikte leefgebieden aanwezig zijn.

Libellen zijn vaak afhankelijk van een bepaalde waterbiotoop. Zo zijn beken met stromend water een optimaal leefgebied voor de bandheidelibel, beekoeverlibel, beekrombout, blauwe breedscheenjuffer en weidebeekjuffer. Met uitzondering van de beekrombout komen alle soorten van stromend water voor in de EVZ’s Leijgraaf en Kleine Beerze, echter het aantal weidebeekjuffers en breedscheenjuffers is in de EVZ Kleine Beerze door het grotendeels gebrek aan voldoende stroming zeer klein. Daarentegen komen in de EVZ Heerenbeekloop beduidend meer exemplaren van deze soorten voor en is tevens een ‘verdwaald’ exemplaar gezien van de beekrombout.

Van de 11 sprinkhanen die zijn waargenomen binnen de onderzochte verbindingszones, komt het merendeel bij voorkeur voor in grazige vegetaties en ruigten op wegbermen en op dijktaluds. Het gewoon doorntje en gewoon spitskopje komen ook vaak voor in oeverzones, slootkanten, natte graslanden en/of moerassen, terwijl de moerassprinkhaan en het zeggendoorntje nagenoeg geheel gebonden zijn aan deze natte biotopen. De sikkelsprinkhaan en struiksprinkhaan hebben een duidelijke voorkeur voor struweel en bosranden.

Door SOVON zijn de diverse broedvogels die in Nederland voorkomen gegroepeerd in vogelgroepen, waarbij iedere groep karakteristiek is voor een bepaalde biotoop. Binnen de verbindingszones broeden meestal struweel- en bosvogels, en slechts enkele karakteristieke soorten van open water, riet- en verlandingsvegetaties. Vogels van akkers en graslanden broeden nauwelijks binnen de verbindingszones. Door SOVON is ook de mate van veeleisendheid bepaald voor broedvogels. Soorten met een brede biotoopkeus noemt men ‘weinig kritisch’ en soorten met een smalle biotoopkeus ‘kritisch tot zeer kritisch’. In de verbindingszones zijn broedterritoria vastgesteld van 12 (vrij) kritische vogelsoorten, waaronder de ijsvogel, zomertaling, waterral, sperwer en groene specht.

Van de grondgebonden zoogdieren die binnen de verbindingszones voorkomen zijn de meeste soorten weinig kritisch ten aanzien van de eisen waaraan een leefgebied moet voldoen. De aanwezigheid van voldoende voedsel, rust, veiligheid en de mogelijkheden tot het maken van vaste of tijdelijke verblijfplaatsen zijn hierbij cruciaal en bepalen de kans waarop deze soorten voorkomen, alsook het aantal exemplaren. Het verbreidingsvermogen van de soorten speelt ook een essentiële rol, en voor bepaalde soorten is ook de vochttoestand van het leefgebied belangrijk.

De indicatiewaarde van de waargenomen, minder algemene plantensoorten, is bepaald met gebruikmaking van het Ecotopensysteem van Nederland en Vlaanderen. Een ecotooptype is een combinatie van kenmerken, zoals vegetatiestructuur/successiestadium, vochttoestand, voedselrijkdom en/of zuurgraad. Van de minder algemene plantensoorten, die binnen de 11 verbindingszones zijn waargenomen, zijn 175 soorten kenmerkend voor een matig voedselrijk, zuur tot basisch milieu. Van de 84 soorten die kenmerkend zijn voor een voedselarm en (zwak) zuur milieu komen de meeste voor in de EVZ’s Beerzeloop, Kleine Beerze, Heerenbeekloop en Peelsche Loop. Binnen de verbindingszones zijn 125 minder algemene soorten aangetroffen van ecotooptypen op vochtige bodems, 89 soorten van natte bodems en 60 soorten zijn binnen het ecotopensysteem geplaatst in water- en verlandingsecotooptypen.

Beschermde, landelijk en/of provinciaal bedreigde soorten

In de 11 onderzochte verbindingszones zijn diverse beschermde, landelijk en/of provinciaal bedreigde soorten aangetroffen. Onder de strenger beschermde soorten die binnen de Flora- en faunawet zijn opgenomen in tabel 2 of 3 bevinden zich de heikikker, poelkikker, grote modderkruiper, bittervoorn, alle vleermuissoorten, de das, kleine zonnedauw en wilde gagel.

36 diersoorten die zijn aangetroffen binnen de verbindingszones zijn opgenomen in de diverse Rode lijsten, waaronder het bruin blauwtje, beekoeverlibel, bruine winterjuffer, bandheidelibel, moerassprinkhaan, watersnip, patrijs, groene specht, alsook het nog algemeen voorkomende konijn. Van de landelijke Rode lijst van bedreigde plantensoorten zijn binnen de zones 30 soorten aangetroffen, zoals het Duits viltkruid, de gevlekte orchis, het ondergedoken moerasscherm, teer guichelheil en de moeraswolfsklauw.

Van de lijst van provinciaal prioritaire soorten zijn in totaal 83 soorten binnen de verbindingszones aangetroffen, waaronder de Alpenwatersalamander, kleine modderkruiper, geelgors, roodborsttapuit, ijsvogel en grote karekiet.

Vergelijking tussen ingerichte delen en niet-ingerichte delen

Op basis van het onderzoek in 2008 binnen de verbindingszones en het onderzoek in de EVZ Alm door Natuurbalans-Limes Divergens in 2003 en 2007 is een analyse gemaakt van de natuurwaarden binnen delen van de verbindingszones die natuurvriendelijk zijn ingericht en die (nog) niet natuurvriendelijk zijn ingericht.

Uit een gedetailleerd onderzoek naar de visstand binnen twee natuurvriendelijk ingerichte trajecten en een niet natuurvriendelijk ingericht traject binnen de EVZ Alm blijkt, dat er qua soortensamenstelling nauwelijks verschil aanwezig is.

In iedere onderzochte verbindingszone was het aantal exemplaren en soorten van amfibieën in en nabij poelen in de natuurvriendelijk ingerichte delen beduidend groter dan in en langs de beken of waterlopen in de niet-ingerichte delen. Verplaatsing van de amfibieën van poel naar poel vindt plaats via de ingerichte delen en via de beek of waterloop, of in de niet-ingerichte delen ook via landbouwgronden.

In de niet-ingerichte delen komen veelal ook de algemene vlindersoorten voor, echter het aantal exemplaren is meestal beduidend lager dan in de ingerichte delen. De (iets) minder algemene tot zeldzame dagvlindersoorten zijn binnen de verbindingszones bijna altijd aangetroffen binnen de natuurvriendelijk ingerichte delen.




De ecologische verbindingszone langs de Kleine Beerze

In de niet-ingerichte delen komen boven en langs de beken en waterlopen diverse libellensoorten voor. Van belang zijn, naast de waterkwaliteit, ook de water- en oevervegetaties. Het aantal soorten en exemplaren neemt duidelijk toe in natuurvriendelijk ingerichte oeverzones. Zeldzamere libellensoorten zijn meestal alleen in de ingerichte delen aangetroffen. Bij uitzondering zijn zwervers ook aangetroffen boven of langs de niet-ingerichte beken of waterlopen.

In de niet-ingerichte delen komen sprinkhanen alleen voor in de taluds en soms ook in oevers van beken en waterlopen. Het aantal exemplaren is in de ingerichte delen met bloemrijke grasland- en ruigtevegetaties hoger, mede omdat deze vegetaties ook in grote oppervlaktes voorkomen dan in de niet-ingerichte delen.

Uit het onderzoek blijkt, dat het aantal vogelsoorten duidelijk toeneemt binnen de ingerichte delen, vooral als er diverse natuurtypen aanwezig, zoals een beek of waterloop of poel met moerasvegetaties, bloemrijk grasland, ruigte, struweel, houtsingel en bos.

In delen die niet zijn ingericht is het beheer van de beken en waterlopen vaak ook intensiever, en ontbreekt in ieder geval tijdelijk de plantengroei, hetgeen gunstig is voor de watervleermuis. Voor de gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn langgerekte linten die bestaan uit moerasvegetaties, struwelen, bomenrijen of houtsingels van groot belang als foerageergebied. Dergelijke elementen zijn uitsluitend dan wel vaker aanwezig in de ingerichte delen.

De meeste grondgebonden zoogdiersoorten komen voor in zowel de natuurvriendelijk ingerichte als in de niet-ingerichte delen. Omdat de ingerichte delen veelal meer rust, veiligheid en voedsel bieden, worden de ingerichte delen vaker gebruikt door bijvoorbeeld de ree en vos als foerageergebied of als een verbindingsweg. Hetzelfde geldt zeer waarschijnlijk ook voor de egel en plaatselijk ook voor de das, terwijl deze soorten de ingerichte delen ook gebruiken als vaste verblijfplaats, wat niet mogelijk is binnen de niet-ingerichte delen.

Afhankelijk van ondermeer de ligging in het landschap, abiotische factoren (bodemtype, toevoer van kwelwater) en het beheer, kunnen ook in niet-ingerichte delen diverse minder algemene plantensoorten voorkomen. Uit het onderzoek blijkt, dat het aantal, in bijzonder de meer zeldzamere soorten. in de ingerichte delen beduidend hoger is dan in de niet-ingerichte delen. Soorten die afhankelijk zijn van een voedselarmer milieu komen uitsluitend voor in de ingerichte delen.

 

Functioneren van de verbindingszones

Ten aanzien van de actuele situatie, zoals die in de onderzoeksperiode binnen de 11 verbindingszones is aangetroffen, kan het volgende worden geconcludeerd:

  • zeer goede leefgebieden voor vissen komen voor in de EVZ’s Donge, Alm en Hertogswetering. De scores met betrekking tot de vissoorten geven waarschijnlijk een enigszins vertekend beeld, aangezien alleen in de EVZ’s Donge en Alm een gedetailleerd visonderzoek is uitgevoerd.

  • alleen het deelgebied Gat van den Dam in de EVZ Hertogswetering kan door de aanwezigheid van 7 amfibiesoorten (ondermeer heikikker, poelkikker en meerkikker) worden beoordeeld als zeer goed. De EVZ Leijgraaf scoort goed door de aanwezigheid van 6 soorten, mede door de aanwezigheid van de meerkikker en Alpenwatersalamander. Zes verbindingszones scoren tamelijk goed door de aanwezigheid van 4 soorten, met naast de bruine kikker, groene kikker en gewone pad, meestal de kleine watersalamander en een enkele keer de Alpenwatersalamander. Met uitzondering van het deelgebied Gat van den Dam in de EVZ Hertogswetering en het zuidelijk deel van de EVZ Leijgraaf kan worden gesteld, dat de onderzochte verbindingszones nog nauwelijks enige bijzondere waarde bezitten voor amfibieën.

  • met betrekking tot de dagvlinders kan op basis van het aantal soorten worden geconcludeerd, dat zes verbindingszones goed functioneren, te weten de EVZ’s Hertogswetering, Alm, Heerenbeekloop, Kleine Beerze, Leijgraaf en Laarakkerse Waterleiding. In deze verbindingszones zijn minimaal 20 dagvlindersoorten aangetroffen, hetgeen hoog is in verhouding met het totaal aantal soorten (= circa 33 soorten) dat kan voorkomen in de verbindingszones. In EVZ Hertogswetering komen de meeste dagvlindersoorten voor, namelijk 24, waaronder 3 (vrij) zeldzame soorten, namelijk de koninginnenpage, oranje luzernevlinder en het bruin blauwtje.

  • de EVZ’s Hertogswetering en Leijgraaf scoren met 34 libellensoorten het hoogst en kunnen op basis van het totaal aantal soorten en vooral het aantal vrij tot zeer zeldzame soorten als zeer goed worden beoordeeld. Het aantal soorten in de EVZ Peelsche Loop is (iets) lager, maar door de aanwezigheid van diverse vrij tot zeer zeldzame soorten scoort ook deze verbindingszone zeer hoog. Goed functionerende leefgebieden voor libellen zijn de EVZ’s Heerenbeekloop, Kleine Beerze en Alm.

  • voor de sprinkhanen scoren de meeste verbindingszones tamelijk goed. In de EVZ Kleine Beerze is het hoogste aantal soorten waargenomen, namelijk 9, wat ongeveer de helft is van het totaal aantal sprinkhaansoorten dat in de verbindingszones kan voorkomen.

  • in de meeste verbindingszones broeden meer dan 30 vogelsoorten. De EVZ’s Hertogswetering en Alm scoren het hoogst met respectievelijk 51 en 48 soorten, gevolgd door de EVZ’s Laarakkerse Waterleiding, Smalle Beek en Donge. Bijzondere broedvogelsoorten zijn de ijsvogel, visdief, waterral, krakeend, slobeend, zomertaling, blauwborst, houtsnip, nachtegaal, wielewaal, boomvalk en grutto. De EVZ Hertogswetering scoort met 83 vogelsoorten ook het hoogst voor wat betreft foeragerende en/of rustende vogelsoorten, gevolgd door de EVZ’s Leijgraaf, Donge, Heerenbeekloop, Laarakkerse Waterleiding en Kleine Beerze, met 60 tot 70 soorten.

  • van de 7 vleermuissoorten die binnen de Brabantse verbindingszones kunnen voorkomen zijn er 6 soorten binnen de EVZ Donge waargenomen. In de EVZ’s Hertogswetering en Smalle Beek zijn 5 vleermuissoorten aangetroffen, terwijl in de andere verbindingszones 3 tot 4 soorten voorkwamen in 2008. De verbindingszones werden in 2008 door de vleermuissoorten uitsluitend gebruikt als foerageergebied. Vaste verblijfplaatsen in boomholten of vaste vliegroutes zijn niet vastgesteld.

  • de actuele situatie ten aanzien van de grondgebonden zoogdieren geeft een vertekend beeld, aangezien van diverse zoogdiersoorten niet of nauwelijks de aanwezigheid kon of kan worden vastgesteld binnen de beschikbare tijd en met de gebruikte onderzoeksmethode. Het aantal grondgebonden zoogdieren, dat daadwerkelijk zal verblijven in de verbindingszones is dan ook zeer waarschijnlijk hoger dan het aantal vastgestelde soorten. Op basis van de zichtwaarnemingen en sporen scoren vijf verbindingszones tamelijk goed en zes verbindingszones tamelijk slecht. De werkelijkheid zal zijn, dat de score van alle verbindingszones minimaal een klasse hoger is. Zeer waarschijnlijk zullen de meeste verbindingszones goed scoren.

  • de meeste minder algemene plantensoorten zijn aangetroffen in de EVZ Hertogswetering, gevolgd door de EVZ’s Kleine Beerze, Peelsche Loop, Heerenbeekloop en Beerzeloop. Mede op basis van de aanwezigheid van diverse vrij tot zeer zeldzame soorten zijn deze verbindingszones beoordeeld als een goed functionerend leefgebied voor plantensoorten.

  • in het totaal scoort de EVZ Hertogswetering in de actuele situatie het hoogst, gevolgd door de EVZ Heerenbeekloop en de EVZ’s Leijgraaf, Peelsche Loop en Alm op een gedeelde derde plaats.



Bloemrijke oeverzone langs de Hertogswetering

Ten aanzien van de potentiële situatie in de 11 verbindingszones kan ondermeer het volgende worden geconcludeerd:

  • op basis van het onderzoek en een deskundigenoordeel kan worden geconcludeerd, dat enkele verbindingszones ook potentieel zeer waarschijnlijk niet hoog zullen scoren op het gebied van de visfauna. Dit geldt in het bijzonder voor de EVZ’s Beerzeloop, Smalle Beek en wellicht ook voor de EVZ Kleine Beerze.

  • mede door de (actuele) aanwezigheid van populaties van minder algemene amfibiesoorten in de nabijheid van de verbindingszones, kan de waarde voor amfibieën in de EVZ’s Smalle Beek, Heerenbeekloop, Kleine Beerze, Peelsche Loop en Leijgraaf stijgen naar ‘zeer goed’ met soorten als de kamsalamander, Alpenwatersalamander, vinpootsalamander, heikikker en poelkikker. De waarde in de EVZ’s Mariakreek, Donge en Beerzeloop zal waarschijnlijk minder sterk toenemen, aangezien in de nabijheid van deze verbindingszones geen of nauwelijks populaties voorkomen van minder algemene soorten.

  • uitgaande van de actuele leefgebieden van reptielen op overbrugbare afstand van de verbindingszones kan de hazelworm zich vestigen in de EVZ’s Heerenbeekloop, Kleine Beerze, Laarakkerse Waterleiding en mogelijk ook in de EVZ Beerzeloop. Voor de levendbarende hagedis zijn plaatselijk mogelijkheden binnen de EVZ’s Beerzeloop en Kleine Beerze.

  • er is een (tamelijk) grote kans, dat de EVZ’s Hertogswetering, Alm en Heerenbeekloop zich verder zullen ontwikkelen tot zeer goed functionerende leefgebieden voor dagvlinders met populaties van ondermeer het bruin blauwtje, bont dikkopje, bruine eikenpage, kleine ijsvogelvlinder en als verbindingsweg of foerageergebied voor de gele en oranje luzernevlinder en grote weerschijnvlinder.

  • met betrekking tot de libellen kan het aantal soorten zeer waarschijnlijk toenemen in vooral de EVZ’s Smalle Beek, Mariakreek, Donge, Kleine Beerze, Beerzeloop en Laarakkerse Waterleiding. De waarde van de EVZ Kleine Beerze is momenteel al hoog, maar kan stijgen naar zeer hoog, met een vestiging van diverse vrij tot zeer zeldzame libellensoorten. Gezien de mobiliteit van diverse libellensoorten is het moeilijk te voorspellen of ook andere verbindingszones niet zullen worden gekoloniseerd door diverse zeldzamere soorten zoals de bandheidelibel, koraaljuffer en vuurlibel. Het is daarom zeer wel mogelijk, dat ook andere verbindingszones zoals de EVZ Heerenbeekloop, Beerzeloop en Laarakkerse Waterleiding zich zullen ontwikkelen tot zeer goed functionerende leefgebieden voor libellen met meer dan 30 soorten.

  • op basis van de actuele verspreiding van sprinkhaansoorten in Noord-Brabant kan worden aangenomen, dat de kans groot is dat diverse sprinkhaansoorten zich nog kunnen vestigen of zich reeds hebben gevestigd binnen de verbindingszones. De EVZ Kleine Beerze, alsook de EVZ’s Heerenbeekloop, Beerzeloop, Peelsche Loop, Hertogswetering, Laarakkerse Waterleiding en mogelijk ook de EVZ’s Donge, Smalle Beek, Alm en Leijgraaf scoren potentieel (zeer) goed als leefgebied voor sprinkhanen.

  • voor broedvogels van struwelen, bomenrijen, houtsingels en bossen zijn de EVZ’s Heerenbeekloop, Kleine Beerze, Smalle Beek, Donge en Laarakkerse Waterleiding potentieel het meest kansrijk, en voor broedvogelsoorten van open water, riet- en verlandingsvegetaties en pioniersoorten de EVZ’s Donge, Alm, Hertogswetering en Mariakreek. Met betrekking tot het gebruik van de verbindingszones als voedselgebied en/of rustplaats bezitten alle zones hoge potenties, vooral de EVZ’s Hertogswetering, Donge, Kleine Beerze, Heerenbeekloop en Alm scoren op dit gebied het hoogst.

  • iedere onderzochte verbindingszone is als foerageergebied potentieel geschikt voor 4 tot 7 vleermuissoorten. De EVZ’s Donge en Hertogswetering scoren ook met betrekking tot de potentiële waarde als foerageergebied het hoogst. In de meeste verbindingszones kunnen op termijn vaste verblijfplaatsen in boomholtes voorkomen van de watervleermuis, rosse vleermuis en mogelijk ook de bruine grootoorvleermuis en ruige dwergvleermuis. Vaste vliegroutes kunnen voorkomen in onder andere de EVZ’s Smalle Beek, Heerenbeekloop, Peelsche Loop en Laarakkerse Waterleiding.

  • zoals bij de actuele situatie is opgemerkt, functioneren de meeste verbindingszones zeer waarschijnlijk al goed als verbindingsweg, foerageergebied en/of vaste verblijfplaats van grondgebonden zoogdieren. Deze waarde zal wellicht in de EVZ’s Smalle Beek, Donge, Alm, Heerenbeekloop, Hertogswetering en Laarakkers Waterleiding kunnen toenemen naar zeer goed met soorten zoals de aardmuis, dwergmuis, dwergspitsmuis, in de EVZ Hertogswetering en mogelijk ook in de EVZ’s Leijgraaf en Peelsche Loop met de das, in de EVZ’s Donge en Alm met de waterspitsmuis en in de EVZ Donge met de bever.

  • met betrekking tot plantensoorten kan vooral het aantal minder algemene soorten nog toenemen in vooral de EVZ’s Mariakreek, Donge, Alm en Leijgraaf en kunnen deze verbindingszones in de toekomst ook scoren als een goed functionerend leefgebied. Dit geldt momenteel al voor de EVZ’s Smalle Beek, Heerenbeekloop, Beerzeloop, Kleine Beerze, Peelsche Loop en Hertogswetering. De waarde in deze verbindingszones zal hoogst waarschijnlijk toenemen maar, met uitzondering van de EVZ Hertogswetering, niet uitgroeien naar een zeer goed functionerend leefgebied.

  • in het totaal scoort de EVZ Hertogswetering ook in de potentiële situatie het hoogst, gevolgd door de EVZ’s Kleine Beerze en Heerenbeekloop op een gedeelde tweede plaats en de EVZ’s Laarakkerse Waterleiding en Peelsche Loop op een gedeelde derde plaats.

Aanbevelingen voor inrichting, beheer en onderhoud

Ondanks het feit, dat de meeste onderzochte verbindingszones al hoge natuurwaarden bezitten en goed functioneren, kan de inrichting, het beheer en/of onderhoud op een aantal punten nog worden verbeterd, zoals:

  • om de verbindingszones (nog) beter te kunnen laten functioneren is de realisering van zoveel mogelijk aaneengesloten brede natuurzones gewenst. De meeste verbindingszones zijn op dit punt nog niet compleet, in het bijzonder geldt dit voor de EVZ’s Smalle Beek, Mariakreek, Alm, Hertogswetering en delen van de EVZ’s Heerenbeekloop, Laarakkerse Waterleiding, Peelsche Loop en Beerzeloop. De aanleg van extra stapstenen is vooral gewenst in de EVZ’s Mariakreek, Alm, Hertogswetering, Laarakkerse Waterleiding en Heerenbeekloop.

  • in het bijzonder voor vissen, libellen, alsook voor amfibieën en bepaalde plantensoorten is het wenselijk om de waterkwaliteit en –kwantiteit vooral in de Smalle Beek te verbeteren en in (iets) mindere mate geldt dit met betrekking tot de kwaliteit ook voor de Donge, Alm, Hertogswetering en Beerzeloop. Verbetering van de waterkwantiteit is ook (tamelijk) belangrijk voor de bovenstroomse delen van de Heerenbeekloop en Beerzeloop.

  • ten behoeve van stroomminnende vis- en libellensoorten wordt een verbetering van de stroming wenselijk geacht in de Smalle Beek, Beerzeloop, Kleine Beerze en Peelsche Loop.

  • ondiepe, brede en snel opwarmende oevers zijn van groot belang voor larven en/of jonge exemplaren van ondermeer de kleine modderkruiper, het bermpje, de kleine watersalamander en libellenlarven. Aanleg van ondiepe oevers wordt vooral wenselijk geacht langs de Mariakreek, Donge, Laarakkerse Waterleiding, Peelsche Loop en Hertogswetering.

  • het aanleggen van extra poelen wordt zeer belangrijk bevonden in de EVZ’s Mariakreek, Donge, Alm, Heerenbeekloop, Beerzeloop, Hertogswetering en Laarakkerse Waterleiding. Het vergroten van (te) kleine poelen wordt aanbevolen in de EVZ’s Beerzeloop, Smalle Beek en Kleine Beerze. Vergroting van enkele nevengeulen is wenselijk in het gebiedsdeel Oijensche Hut binnen de EVZ Hertogswetering, alsook het aanleggen van nieuwe nevengeulen elders in de verbindingszone.

  • het huidige beheer van de poelen is in zijn algemeenheid voor bepaalde soortengroepen niet optimaal in de EVZ’s Smalle Beek, Donge, Alm, Beerzeloop, Leijgraaf, Hertogswetering en Laarakkerse Waterleiding en van enkele nevengeulen in de EVZ Hertogswetering. Op veelal korte termijn is zowel het gefaseerd schonen noodzakelijk alsook het verwijderen van struik- en boomopslag en van de (te) dichte oevervegetaties. Naast de poelen en/of nevengeulen in de al genoemde verbindingszones, geldt dit ook voor poelen en/of nevengeulen in de overige verbindingszones.

  • in de meeste verbindingszones komen momenteel waardevolle pioniervegetaties voor, waarvan het uit provinciaal oogpunt belangrijk is om deze vegetaties te behouden, te optimaliseren en eventueel ook te ontwikkelen. Om dit te kunnen realiseren is in deze verbindingszones veelal een beheer noodzakelijk, waarbij éénmaal per vijf jaar de oevers van poelen en/of delen van de natuurzones worden afgeplagd of dat op een andere manier weer kale bodems ontstaan.

  • behoud en ontwikkeling van heidevegetaties wordt aanbevolen in het noordelijk deel van de EVZ Beerzeloop. Schrale graslandvegetaties, zoals heischraal grasland en veldrus- c.q. dotterbloemhooiland kunnen het beste worden behouden en vooral worden ontwikkeld in bepaalde delen van de EVZ Heerenbeekloop, Beerzeloop, Kleine Beerze, Peelsche Loop en Leijgraaf. Behoud en ontwikkeling van bloem- en soortenrijke graslanden en ruigten wordt in iedere verbindingszone zeer belangrijk geacht.

  • naast of in plaats van maaien en afvoeren kunnen in bepaalde verbindingszones de grasland- en ruigtevegetaties ook worden beheerd door extensieve begrazing, waarbij de voorkeur uitgaat naar begrazing met schapen. Begrazing wordt aanbevolen voor bepaalde delen in de EVZ’s Donge, Leijgraaf, Hertogswetering en in de toekomst in de EVZ Mariakreek.

  • de aanleg van bomenrijen en/of houtsingels tussen de stapstenen wordt ten behoeve van vleermuizen aanbevolen in de EVZ Smalle Beek, en de aanleg of ontwikkeling van loofbosjes ten behoeve van vogels en zoogdieren in de EVZ Peelsche Loop.

  • voor een tweetal bosjes in de EVZ Heerenbeekloop wordt een hakhoutbeheer voorgesteld om zodoende de voorjaarsflora te kunnen optimaliseren en/of te ontwikkelen.

  • bestrijding van exoten (onder andere grote waternavel, parelvederkruid, dwergkroos, Japanse duizendknoop) is noodzakelijk om zodoende het streefbeeld in de desbetreffende verbindingszones te kunnen realiseren en de diversiteit binnen de verbindingszones te kunnen behouden en/of te optimaliseren. Veelal is een bestrijding al in een vroeg stadium noodzakelijk, voordat de exoot zich op meerdere plekken in een verbindingszone kan vestigen.

  • de aanleg van een goed functionerende faunatunnel wordt aanbevolen onder de rijksweg A58 in de EVZ Smalle Beek, de rijksweg A67 en de provinciale weg Reusel-Eersel in de EVZ Kleine Beerze, de Boekelse Weg in de EVZ Peelsche Loop, en de Kalkhofse Weg in de EVZ Laarakkerse Waterleiding. Om de migratie van vissoorten te kunnen realiseren is de aanleg van vispassages gewenst in de Kleine Beerze, Peelsche Loop en Hertogswetering.

  • het combineren van ecologische verbindingszones met recreatieve verbindingszones (veelal wandelroutes) zijn, vooral als de verbindingszones zijn gelegen nabij dorpen of steden, van groot belang voor met name de lokale bevolking. Probleem is, dat de wandelroutes vaak worden gebruikt als een uitlaatplek voor honden en dat de honden niet aangelijnd blijven. Dit is in het bijzonder voor vogels en zoogdieren in de verbindingszone een grote inbreuk op de rust en veiligheid. Al met al is het van groot belang om zowel in de bestaande verbindingszones als in de nog aan te leggen zones de ecologische zone gescheiden te houden van de recreatieve zone. De beek, waterloop, wetering of kreek vormt hierbij een goede scheidslijn. In sommige delen van de onderzochte verbindingszones, zoals in de EVZ Heerenbeekloop, is deze scheiding al toegepast, waardoor een grote mate van rust en veiligheid aanwezig is in de ecologische zone. Aanleg van recreatieve zones is zeer belangrijk in combinatie met de EVZ’s Smalle Beek, Alm, Kleine Beerze, Peelsche Loop, Leijgraaf en Hertogswetering, terwijl sturing van de wandelrecreatie vooral is gewenst in de EVZ’s Smalle Beek, Alm, Kleine Beerze, Peelsche Loop en Laarakkerse Waterleiding.

  • de recreatiedruk door vissers is in het gebiedsdeel Putwielen binnen de EVZ Hertogswetering (tamelijk) hoog, hetgeen zeer waarschijnlijk ten koste zal gaan van de benodigde rust en veiligheid voor diverse zoogdiersoorten en bepaalde vogelsoorten. Sturing van de visrecreatie is dan ook wenselijk in het gebiedsdeel Putwielen.

Infobottom menuProjecten